De Familie Snellings
Pierre Snellings 27 april 2002
INLEIDING
Een eerste beknopte familiegeschiedenis werd geschreven naar aanleiding van de 70 ste verjaardag van tante Fina Snellings in 1994. De tentoonstelling van de familie Snellings in het weekend van 27 en 28 april 2002 is een goede aanleiding om deze beknopte familiekroniek uit te breiden, te actualiseren en waar nodig te corrigeren. Dat deze tentoonstelling zal geopend worden door de Limburgse gouverneur, Mevr. Hilde Houben-Bertrand, zal zeker in de familiekroniek een belangrijk item zijn. Ik wil haar dan ook langs deze weg, in naam van de ganse familie Snellings, bedanken voor haar aanwezigheid op dit toch wel speciale familiegebeuren. Ook Mevr. de burgemeester en het schepencollege zijn we erg dankbaar voor de spontane steun, zowel op materieel als op moreel vlak. Zij hebben begrepen dat nauwe en hechte familiebanden de basisremedie vormen tegen de zoveel besproken verzuring van de maatschappij. Wij hopen dat wij door deze tentoonstelling bij een grote groep mensen interesse kunnen wekken, niet alleen voor onze familiegeschiedenis, onze collecties en hobby's maar ook voor de het rijke verleden van Sint-Huibrechts-Hern, het dorpje waar de familie toch erg mee verbonden is.
Snellings Pierre 27.04.2002
1. ONZE VOOROUDERS
Een uitgebreid onderzoek van de parochieregisters van Hoeselt bracht ons uiteindelijk tot bij THOMAS SNELLINGS, wonende te Buckenslinde te Hoeselt en vermoedelijk gehuwd met IDA CATTENSTART. Thomas stierf te Hoeselt op 22.12.1646.
Deze Thomas had 9 kinderen, waarvan de jongste telg, JOANNES, geboren werd op 21.04.1629. Hij was wel de jongste, maar daarom niet de minste, want hij durfde het aan om driemaal te huwen. Zo werd hij vader van 11 kinderen. Uit het tweede huwelijk met MARIA ZAELEN (xx 12.07.1654) ontsproten 4 kinderen, waarvan het tweede, PETRUS, geboren werd op 23.05.1658.
PETRUS huwde met JOHANNA CLERX (x 16.05.1688) en zij kregen 5 kinderen. Het vierde kind noemde JOANNES, werd geboren op 30.01.1695 en huwde met HELENA DRIESEN (x 31.10.1722). Het echtpaar verliet Hoeselt en verhuisde naar Werm, waar zij zes kinderen kregen. Het derde kind in de rij werd weer JOANNES (° Werm 16.10.1727) geheten.
Omstreeks 1760 trad deze JOANNES in het huwelijk met CHRISTINE FESTJENS.
JOANNES (Jan) SNELLINX en CHRISTINE FESTJENS vinden we terug in een volkstelling, gehouden in 1763 door Christophorus Robijns, pastoor van Werm, op bevel van het bisdom. Dit document, opgemaakt op 28 april 1763 berust bij het Rijksarchief te Luik. Jan was wever en bij hem woonde ook zijn broer Willem (Guilielmus) en een dienstbode, Petronilla. Willem was 26 jaar. Het gaat hier klaarblijkelijk om de jongste broer van Jan. Het feit dat Jan twee broers heeft die Guilielmus heten, de ene geboren in 1730 en de andere in 1734, laat ons veronderstellen dat de oudste reeds op jonge leeftijd overleed en dat de jongste opnieuw die naam gekregen heeft. In een tijd van grote kindersterfte was dit eerder regel dan uitzondering.
Anderzijds vinden we buiten deze twee geen andere Snellinx-en meer terug in deze volkstelling (kinderen beneden de 15 jaar werden niet vernoemd), zodat we mogen aannemen dat de ouders van Jan overleden zijn vóór 1763.
Van zijn zusters Catharina, Deodata en Helena vinden we in deze volkstelling geen spoor. Wonen ze op dat ogenblik ergens anders of zijn ze reeds overleden? Hierop blijven we het antwoord voorlopig schuldig.
Uit deze volkstelling leren we dat er toen in Werm buiten de pastoor, 23 gezinnen waren, met of zonder andere inwonenden uit andere families (meiden, knechten, of gewoon twee families in één woning). Van deze 23 gezinnen waren er 11 landbouwers en 5 gezinnen oefenden het beroep van wever uit (huisnijverheid). Deze huiselijk industrie leunde aan bij de vlas- en weversbedrijven die ook in Hoeselt werkzaam waren. In totaal waren er toen in Werm 91 inwoners, kinderen beneden de 15 jaar niet meegerekend. De meesten waren ongetwijfeld arme mensen. Tijdens de tweede helft van de 18de eeuw was de armoede van de bevolking bijzonder groot. De behoeftigen dienden vooral gezocht bij de dagloners en huisarbeiders, die wel een spinnewiel en weefgetouw bezaten, maar meestal te arm waren om de nodige grondstof te kopen.
Uit andere bronnen blijkt dat JAN SNELLINGS naast wever ook herbergier was. In zijn herberg gingen enkele belangrijke vergaderingen door. Zo ging er op 1 mei 1765 de aanbesteding door van de afbraak en de heropbouw van de kerk van Werm. Er werd toen een vertier gemaakt van 18 gulden en 10 stuivers. Op 20 mei 1765 had er een vergadering plaats tot regeling van de financiering van de bouwwerken van de nieuwe kerk.
JAN SNELLINGS en CHRISTINA FESTJENS hadden 6 kinderen. De derde in de rij, JOANNES (° Werm 05.11.1765) huwde met MARIA JOANNA KETTELSLEGERS. Maria Joanna Kettelslegers was afkomstig van Vliermaalroot en de dochter van Lambert Kettelslegers en Maria Sybille Schepers. Toen Joannes en Maria Joanna op 29.11.1809 huwden, hadden ze reeds 4 kinderen met elkaar (!!!!!). Deze 4 kinderen staan trouwens in hun huwelijksakte vermeld. Toen zij huwden waren beide ouders van Joannes overleden. Joannes en Maria woonden volgens de registers in de Dorpsstraat te Werm en baatten er een herberg uit. Die Dorpsstraat wordt in een latere akte gespecifieerd als de Bovenste Dorpsstraat. Vermits de ouders van Joannes ook een herberg hadden is het waarschijnlijk dat het om dezelfde woning gaat. Hoewel niet met 100% zekerheid vast te stellen, bestaat er een redelijke kans dat onze voorouders gewoond hebben op de plaats aan nr. 44 in de huidige Bovenstraat, momenteel bewoond door de familie Coenegrachts. Daar stond immers het huis van Hubert Snellings (x Joanna Huyts), een achterkleinkind van Joannes Snellinx en Maria Kettelslegers.
Joannes was niet alleen herbergier (cabaretier in de Franse akten), elders wordt het beroep van laboureur (landbouwer) vermeld. Joannes stierf op 17.01.1827, zijn vrouw Maria Joanna op 05.02.1846. Het was een vruchtbaar huwelijk dat uiteindelijk gezegend werd met 9 kinderen.
De vijfde telg in de rij was PETRUS (° Werm 03.11.1810). Petrus huwde op 16.03.1839 in Hern met ELISABETH BOSCH van Membruggen. Amper 6 maanden later wordt hun eerste kindje, Joannes (° Hern 10.09.1839) geboren. Korte tijd daarna verhuist het gezin naar Membruggen, want de twee volgende kinderen worden in Membruggen geboren. Het vierde kind, Maria, ziet in Werm het levenslicht. Vanaf dan woont Petrus blijkbaar terug in zijn geboortedorp. Na Maria breidt het gezin nog uit met 3 kinderen, wat het totaal op 7 brengt.
Petrus wordt vermeld als dienstknecht (wonende) te Tongeren. Waarschijnlijk verbleef hij in de week te Tongeren waar hij werkte en kwam hij de zondag bij zijn echtgenote en kinderen in Werm doorbrengen. Erg honkvast kunnen we deze Petrus niet noemen. Hij stierf te Werm op 12.12.1863. Hij was 53 jaar oud.
Het is interessant om de broers en zusters van PETRUS even naderbij te bekijken omdat een groot gedeelte van de huidige Wermse bevolking van hen afstamt.
-
Cristina (° Werm 26.05.1803) huwt met Thijsen Jan van Werm.
-
Lambertus (° Werm 18.04.1807) huwt met Cuenen Anna Maria. Hij is dagloner, handwerker. Hij kan niet schrijven.
-
Winand (° Werm 17.09.1808) huwt met Kellens Anna. Hij is landbouwer van beroep.
-
Guillaume (° Werm 07.10.1812) blijft ongehuwd en is ook landbouwer van beroep.
Van Winand en Guillaume weten we dat ze lange tijd als jonkmannen hebben samengewoond en dat zij de personen waren die regelmatig werden ingeschakeld om de overlijdensaangiften e.d. te doen. Hun namen komen regelmatig als getuigen in de akten voor.
-
Bernard (° Werm 24.02.1815) huwt met Maria Ludovica Hayen. Bernard was landbouwer en burgemeester. Dit burgemeesterschap vangt aan in 1850 en eindigt in 1873 of 1874.
-
Joanna (° Werm 15.07.1822) huwt met Hendrik Petrus Cuenen.
Jean Lambert (° Werm 01.10.1804) sterft op 14-jarige leeftijd (+ Werm 20.02.1818) en Louis (° Werm 02.06.1819) sterft 6 maanden later (+ Werm 18.12.1819).
Zoals reeds gezegd hadden PETRUS en ELISABETH BOSCH 7 kinderen.
-
Joannes (° Hern 10.09.1839) is waarschijnlijk op zeer jonge leeftijd in Membruggen overleden.
-
Jan (° Membruggen 27.02.1842), de tweede in de rij krijgt de naam van zijn overleden oudste broer. Hij huwt met Anna Valley van Kortessem. Hij sterft in Kortessem op 06.07.1913.
-
Joanna (° Membruggen 08.01.1846 huwt met Gilles Wagemans van Werm.
-
Maria (° Werm 08.01.1848) huwt met Joannes Dusaert. Haar bijnaam in Werm was Bettes Mie, wat betekent : Maria (Mie) van Elisabeth (Bet).
-
Wilhelmus (° Werm 25.07.1851) huwt met Joanna Voncken.
-
Elisabeth (° Werm 10.02.56) stierf op 2-jarige leeftijd.
-
Christine (° Werm 28.04.1859) huwt met Willem Gielen.
Wilhelmus of Willem Snellings huwde dus met Joanna Voncken (° Hern 07.07.1852). Joanna Voncken woonde in de Herenstraat in Sint-Huibrechts-Hern, in de winning van haar vader Voncken Arnold, bijgenaamd HET SCHEPEKE. Hij was schepen van de gemeente. Willem werkte bij hem als knecht en blijkbaar lieten de charmes van de dochter van de boer hem niet onberoerd. Ze huwden te Hern op 28.08.1880.
2. PETER SNELLINGS : ZIJN TIJDGENOTEN
Uit het huwelijk van Willem Snellings (bijnaam : Schepes Willeke) met Maria Joanna Voncken sproten 8 kinderen.
1. Snellings Elisabeth x Nijs Jan
° 08.11.1881 Werm ° 04.10.1877 Hern
+ 01.10.1927 Hern + 15.05.1940 Hern
2. Snellings Arnold ongehuwd
° 03.01.1884 Werm
+ 17.04.1949 Hern
3. Snellings Peter x Nijs Maria Josephina
° 08.11.1885 Hern ° 22.01.1880 Hern
+ 21.06.1961 Luik + 26.06.1938 Luik
4. Snellings Guillaume ongehuwd
° 19.12.1887 Hern
+ 26.11.1963 Hern
bijnaam : het menneke
5. Snellings Maria Apollonia x Lambrechts Jan
° 22.06.1890 Hern ° 05.10.1887 Hoeselt
+ 13.05.1935 Hoeselt + 22.10.1967 Hern
6. Snellings Maria Catharina x Nijs Hubert
° 18.12.1891 Hern ° 26.01.1881 Hern
+ 02.04.1919 Hern + 22.01.1948 Hern
xx Tits Maria-Jozefina
° 28.09.1881 Hern
+ 23.09.1946 Hern
7. Snellings Maria Josephina ongehuwd
° 08.03.1894 Hern
+ 24.06.1967 Hern
bijnaam : Schepes Finneke
8. Snellings Maria Christina ongehuwd
° 26.02.1897 Hern
+ 01.04.1011 Hern
Maria Apollonia en Jan Lambrechts bleven in het ouderlijk huis wonen en gaven alzo de toenaam van Schepeke aan hun nakomelingen door. Zo kennen we Liza van Schepeke, Mena van Schepeke, enz..
Maria Catharina stierf een maand na de geboorte van haar enige dochter Elisa (° 27.02.1919). Haar echtgenoot, Nijs Hubert, huwde op 26.02.1922 voor de tweede maal met Maria Jozefina Tits.
Maria Christina stierf op 14-jarige leeftijd. Ze leed aan het syndroom van Down (moderne benaming voor Mongolisme).
Peter was de derde in de rij van acht. De dag na zijn geboorte werd hij door pastoor G. Heynen gedoopt. Zijn peter was Wagemans Aegidius (Gilles). Deze Wagemans was zijn oom, gehuwd met Snellings Joanna van Werm, zuster van zijn vader Willem. Zijn meter was Cloosen Agnes. Over zijn jeugd hebben we weinig kunnen achterhalen. Zeker is dat hij opgroeide in de winning bij Schepeke en dat hij vlakbij naar school is gegaan. Het toenmalige schoolgebouw (vroegere pastorie) lag toen immers in de Herenstraat, op de grond die hij kocht en waar hij in de dertiger jaren een huis bouwde, vlak tegen het schoolgebouw. Hij werd verliefd op zijn buurmeisje : Maria Josephina Nijs. Op 20 april 1912 huwden ze. Ze namen hun intrek in het ouderlijk huis Nijs. Maria Josephina Nijs was de dochter van Hendrik Nijs en Elisabeth Croux. Maar niet alleen Peter huwde met een dochter van Hendrik Nijs en Elisabeth Croux. Zijn oudste zus Elisabeth huwde met de zoon, Jan Nijs. Maria Catharina huwde met een andere zoon, Hubert Nijs. 3 kinderen Snellings huwden dus met 3 kinderen Nijs. Toch wel uniek.
3. PETER SNELLINGS : ZIJN NAKOMELINGEN
Peter was 27 jaar en Maria Josephina was er 32 toen zij op 20.04.1912 huwden. Hun huwelijk werd gezegend met 8 nakomelingen :
1. Snellings Willem Hendrik
° Hern 02.05.1913
+ Genk 25.12.1984
ongehuwd - Witte Pater (White Father / Priest)
2. Snellings Elisabeth Apollonia
° Hern 03.04.1914
+ Luik 08.06.1997
ongehuwd - kloosterzuster (Nun)
3. Snellings Albert Hubert Hendrik
° Hern 25.12.1915
x Hoeselt 01.08.1942 Thijs Maria Albertine
° Hoeselt 08.03.1917
+ Hern 21.05.1962
4. Snellings Maria Joanna Elisabeth
° Hern 19.01.1917
x Hern 29.06.1943
Thijs Joannes
° Hoeselt 13.06.1901
5 Snellings Jozef Jules
° Hern 14.01.1918
+ Hern 18.12.1993
x Hern 30.12.1950
Vanvinckenroye Maria
° Hern 08.07.1925
6 Snellings Henri ° Hern 02.04.1919
° Hern 24.07.1980
x Hern 24.04.1946
Willems Maria
° Hern 18.05.1924
+ Hern 14.01.1999
7 Snellings Maria Josephina
° Hern 06.04.1920
+Luik 13.10.2001
ongehuwd - kloosterzuster
8 Snellings Josephine Sophie Pauline
° Hern 23.03.1924
x Hern 31.03.1951
Lecoque August
° Nerem 21.05.1919
+ Hern 12.06.1971
Drie van de acht kinderen van Peter Snellings en Nijs Josephine werden kloosterling, wat erop wijst dat zij hun kinderen een vrome en degelijke opvoeding gaven. Moeder Josephine stierf op 26.06.1938 in het Beiers Gasthuis (Bavière) te Luik. Ze was 58 jaar.
Peter was een nogal strenge vader (en grootvader) maar hij had de reputatie een eerlijk man te zijn. Zonder de anderen tekort te doen willen we enkelen van hun kinderen wat nader belichten, zeker niet omdat zij meer zouden gepresteerd hebben dan de andere broers en zusters, maar omdat hun leven op zeker ogenblik toch een bijzondere richting is uitgegaan.
4. PATER WIM SNELLINGS
Na de lagere school in Hern beëindigd te hebben ging Wim naar het college in Tongeren, waar hij de latijnse humaniora met succes doorliep. Hij was er de klasgenoot en goede vriend van Mgr. Heuschen, bisschop van Hasselt. Op 23 september 1933 trad hij binnen bij de Witte Paters in Boechout (provincie Antwerpen), waar hij zijn studie filosofie aanvatte. Zijn noviciaat deed hij in Maison Carrée (Algerije) vanaf 24 september 1935 en zijn scholasticaat te Heverlee vanaf 17 september 1936. Op 28 juni 1937 diende Mgr. Grauls hem de eerste van een reeks wijdingen toe: la tonsure of de kruinschering. Mgr. Grauls, die later aartsbisschop van Burundi werd, werd geboren in Kortessem in 1899 en overleed te Hasselt in 1896, twee jaar na het overlijden van Wim. Op 29 april 1939 legde pater Wim zijn eeuwige geloften af en op 25 maart 1940, kort voor het uitbreken van W.O. II, werd hij door Mgr. Carton de Wiart tot priester gewijd. Van 1940 tot 1945 is hij in Boechout professor filosofie. Deze functie oefent hij daarna uit in Heverlee tot in 1951. Op 24 september 1951 gaat zijn grote droom eindelijk in vervulling en vertrekt hij naar Belgisch Kongo. In het groot seminarie van het toenmalige Boudewijnstad wordt hij weer professor in de filosofie en later rector. Boudewijnstad was een kleine entiteit in het oosten van Zaïre, vlak bij het Tanganyika Meer. Boudewijnstad heet nu Moba (Kirungu).
De afreis naar Kongo hebben enkelen van ons nog meegemaakt. Alhoewel iedereen zich nogal stoer hield, werd er hier en daar toch heimelijk een traantje weggepinkt. Vooral voor hemzelf en voor vader Peter moeten het moeilijke momenten geweest zijn.
Vader was al 66 jaar oud toen zijn oudste zoon vertrok met het vooruitzicht om de eerstvolgende tien jaar niet terug te keren. De mogelijkheid dat dit een afscheid voor het leven was, was vrij groot. Overeenkomstig met Peters karakter liet hij er echter weinig van blijken. Een en ander blijkt uit de aanhef van de eerste brief die pater Wim na zijn afreis naar hem en de ganse familie schreef:
"Laat me toe u allen nog eens oprecht en diep te danken voor uw moedige houding en christelijke sterkte bij het afscheid. Eerlijk gezegd, zo had ik het niet schoner en beter kunnen dromen. Een bijzondere hulde en proficiat aan vader. Onze Lieve Heer zal u dat allemaal duizendmaal teruggeven. Hebt allen maar veel vertrouwen in Hem. 't Is voor Hem dat ik tot nu toe het zwaarste offer heb gebracht alhoewel er daar uiterlijk misschien niet veel van te zien was."
Het achtjarig verblijf in de missie is ongetwijfeld de belangrijkste, maar ook de zwaarste periode in zijn leven geweest. De levensomstandigheden waren alleszins niet komfortabel. Ter illustratie hiervan enkele passages uit zijn brief van 28 oktober 1951, gericht aan vader en de familie:
"Kom eens binnen in mijn kamer. Zeven meter op vier. Twee vensters en twee deuren. De eerste geeft uit op een gang binnen huis en de andere op de binnenkoer die we moeten passeren om naar de klas te gaan. Een tamelijk grote tafel als bureel, een stoel en een stuk zetel om de bezoekers te ontvangen. Die zetel zoudt u moeten zien. Zes stokken, enkele nagels, twee riemen en een gedroogd koevel. Een bidstoel, een kemelke van een lavabo en een bed. Ja dat bed is ook iets Afrikaans: vier stokken van een halve meter hoog verbonden door latten, zo een soort lage en langwerpige boks, waar Mariejozéke in staat. Van boven dan allemaal koorden, daar een dun matraske op en 't is alles. O neen ik vergeet het voornaamste: die vier poten hebben dan een stok van anderhalve meter hoog, van boven verbonden door latten en omhangen heel en al door een muggennet. 's Avonds moet ge daar onderin kruipen anders riskeert ge van die diertjes gebeten te worden en ge hebt de koorts. Het beste beeld dat u ervan kunt vormen is te denken aan een katafalk zoals ge die hebt in de kerk voor de begrafenis maar in plaats van zwart hebt ge dat net. De vloer is van ciment. Ik vergeet nog een kaarsken van dien lavabo en een stallantaarn op mijn tafel. Al het drinkwater moet eerst gefiltreerd worden. Het krioelt van de microben. En nu zult ge wel benieuwd zijn wat we zoal eten. Ja Marie, luister naar onze menu. 's Morgens koffie en melk en grijs brood met een gebakken ei en als ge wilt een paar gebraden bananen. Het brood is goed, we malen en bakken zelf."
's Middags soep met veel ajuinen en porei, gewone aardappelen, groenten en een stuk geit of wild uit de brousse. Een paar keer hebben we het moeten wegsmijten omdat het bedorven was van de warmte doch dan hebben het de inlanders het liefst. De reuk eet men niet zeggen ze. U de keuken beschrijven waar de negers dat gereed maken, dat is boven mijn macht, later misschien. Als ik dat zag meende ik van mijn zelve te vallen. De vuiligheid kunt ge u effenaf niet voorstellen. Met missiezondag had men mij gevraagd een vlaaike te bakken voor de paters maar als ik dien cuisinière zag waar ik dat ding moest insteken had ik al spijt dat ik ja gezegd had.”
Na 8 jaar missiewerk keert hij op 30 juli 1959 terug naar België. Na een kort verblijf in Brussel wordt hij op 1 juli 1963 aangesteld als econoom te Heverlee. Van 1 september 1972 tot in 1976 is hij in Antwerpen werkzaam. Het is niet erg duidelijk welke functie hij er uitoefende. In 1976 werd hij belast met de stichting en uitbouw van het rusthuis van Genk, waar hij ook overste werd. Hier bleef hij tot aan zijn dood in 1984.
Toen pater Wim op 25 december 1984 stierf had hij een welgevuld leven in dienst van zijn idealen achter de rug.
In het tijdschrift "Witte Paters-Band" van april 1985 vinden we volgend treffend "In memoriam" :
Terwijl velen van ons waarschijnlijk nog aan een rijkversierde kersttafel zaten is P. Wim in alle stilte heengegaan. Je zou bijna zeggen : het kon niet anders. Hij had altijd bescheiden en teruggetrokken geleefd, hoe zou hij op een andere manier gestorven zijn! Het was Kerstdag 1984, twee uur in de namiddag. Wim was een man zonder pretenties, geen streber die "iemand" wilde zijn in het leven. Over Wim moest je nooit het hoofd schudden en zeggen : wat krijgt die in zijn ster ! Wim was de eeuwige professor : er is wellicht geen enkel seminarievak dat hij niet gegeven heeft, zij het nu filosofie, theologie, bijbel of kerkelijk recht. Maar daar ligt niet zijn grote verdienste. In al die jaren is hij de geestelijke begeleider geweest van hoeveel priester-studenten ? Waren het er honderd, tweehonderd of nog veel meer ? Wim hield van degelijkheid, van diepte. Hij kon niet om met flauwekul, maar had begrip voor menselijke zwakheid. Hij was niet de man van de feniksen of de genieën, maar van de oerdegelijke dagelijkse missionaris van Afrika. Zo zag hij het, zo deed hij het en hij deed het goed.
Wim was altijd beschikbaar. Zou hij ooit iets geweigerd hebben? Niets was hem te hoog of te min als zijn oversten het hem vroegen: hij stond als professor aan de lessenaar en als bakker aan de oven, je vond hem in de bibliotheek en tussen de bloemen. Hij was de man die het schone evenwicht van het evangelie in zijn leven had weten te realiseren. Steeds zeer intiem met Jezus verbonden was hij trouw aan zijn dagelijkse heilige mis en gebedsleven. Bij Wim kon je terecht als je in de put zat; steeds wist hij de situatie te relativeren en kon hij je bemoedigend zeggen: "Het zal wel gaan, het is allemaal zo erg niet".
Wim, wij zijn blij dat wij jou gehad hebben. We zijn je dankbaar om wat jij voor ons geweest zijt. Wie daar mocht aan twijfelen moet maar even terugdenken aan je begrafenis in Genk waar wij met zestig confraters rond je lijkbaar hebben gestaan. Ik denk dat je dat in de hemel plezier heeft gedaan.
5. ELISABETH SNELLINGS
zuster Marie-Imelda
Nadat haar zuster, Maria, het jaar ervoor in het klooster trad, kondigde zij in de zomer van 1942 haar intrede in het klooster aan. Het was een verrassing en voor haar vader een probleem. Zij beredderde immers na de dood van moeder het hele gezin. Op 15 juni 1942 trad zij in hetzelfde klooster binnen waar haar zus, Maria, was binnengetreden: het klooster van de Zusters van de Heilige Augustinus in Bavière. Op 30 juni 1943 werd zij gekleed en nam de naam soeur Marie-Imelda aan. Haar eerste gelofte legde ze af op 18 september 1945 en haar eeuwige gelofte op 24 november 1948. Ze bleef in Bavière tot in 1967. Dan verhuisde ze naar het bejaardentehuis Saint-Joseph, Quai de Coronmeuse 5, te Luik. Daar heeft ze altijd de scepter gezwaaid in de keuken. Haar overste getuigde van haar: "Ze heeft altijd in de keuken gewerkt en stond altijd gereed om ons het beste te bezorgen. Ze was de beste in haar beroep".
Na een leven van pure dienstbaarheid stierf ze op 8 juni 1997 in Saint-Joseph te Luik. De tekst op haar gedachtenisprentje geeft treffend haar manier van leven weer:
Zoals de dag
in de nacht verwelkt
zo stil
ben je van ons heengegaan
naar God
met in je handen
parels van eenvoud en liefde
6. MARIA SNELLINGS
zuster Marie-Gemma
Ze was 21 jaar toen ze op 7 oktober 1941 intrad in het klooster van de zusters van de Heilige Augustinus in Luik. Een maand nadat haar oudste zus haar gevolgd was, werd zij gekleed (4 augustus 1942). Zij nam de naam "soeur Marie-Gemma" aan. Haar eerste gelofte legde zij af op 9 augustus 1944 en haar eeuwige gelofte op 26 november 1947. Ze werkte als verpleegster in het hospitaal van Bavière van 1945 tot 1960. Een hele prestatie was het toen zij, met slechts een vooropleiding lager onderwijs, in 1951 als verpleegster afstudeerde. Vanaf 1960 werkte zij in het "Hopital des Anglais" als hoofdverpleegster tot in september 1981. Van september 1981 tot november 1983 werkte ze in het bejaardentehuis "Saint-Joseph" en vervolgens in het bejaardentehuis van Beaufays tot in mei 1991. Een tijd lang was ze ook nog verantwoordelijk voor de zorg voor de bejaarde medezusters in het rusthuis van Amay. De laatste periode van haar leven bracht ze door in het bejaardentehuis van "Saint-Joseph" waar ze op 13 oktober 2001 terugkeerde naar de Heer. Evenals haar zus Elisa kan zij terugblikken op een leven van ten dienste staan voor de zieke en bejaarde medemensen.
7. HENRI SNELLINGS
De naam Henri Snellings zal steeds de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog oproepen, omdat hij op regionaal vlak een belangrijke rol in het verzet heeft gespeeld. Hij was 21 jaar toen op 10 mei 1940 de oorlog uitbrak. Hij was sedert 26 augustus 1939 gemobiliseerd. Van 10 mei 1940 tot 27 mei 1940 nam hij deel aan de 18-daagse veldtocht. De Duitsers hielden hem gevangen van 28 mei tot 8 juli 1940. In 1942 werd hij lid van het geheim leger. Hij was dus geen weerstander van het laatste uur zoals zovele anderen. Wanneer hij precies tot het Geheim Leger is toegetreden is niet erg duidelijk. Allesziens werd hij officieel erkend als Gewapend Weerstander vanaf 15 november 1942.
De belangrijkste datum in zijn carrière als weerstander is ongetwijfeld die dinsdag 17 augustus 1943.
In de namiddag overvloog een tweede golf van een sterke Amerikaanse luchtvloot, behorend tot de 1e Divisie van de 8 US Airforce, Limburg op weg naar Schweinfurt in Beieren, 500 km ver. Het doel was de kogellagerfabrieken. Het vierde Vliegend Fort (B-17 Flying Fortress) van 327 Squadron van 92 BG, kwam in de namiddag brandend uit de richting van Duitsland terug. Het overvloog Hoeselt, Sint-Huibrechts-Hern en stortte te pletter in een veld in Kuttekoven.
Captain Roland Sargent, de piloot van de B-17 landde achter de pastorie te Hern. Lt Keith E. Byington, de co-piloot, kwam in Vliermaal terecht in het park van het kasteel van de Braconnier. Navigator Captain Robert T. Mc Neely maakte een zachte landing op een veld in de omgeving van "De Metser". Sargent maakte een onzachte landing en kwetste zijn enkel. Hij werd door de mensen die in het veld aan het werk waren naar het bos van de Schaetzen in Hardelingen gebracht. Daar werd ook Mc Neely naartoe gebracht.
Captain Roland Sargent vertelt zijn verhaal hierover in het tijdschrift "92nd Bombardment Group News" van september 1981:
Dit is een verslag van wat er gebeurde met één van de vliegtuigen van het 92ste en de vermiste bemanning na de eerste aanval op Schweinfurt door het 8ste luchtleger op 17 augustus 1943.
Op de avond van de 15de augustus was ik naar de basis teruggekeerd na een week verlof. De volgende dag werd de groep ingelicht over de missie, gepland op de morgen van de 17de augustus. Mijn naam stond vermeld op de lijst van diegenen die aangeduid waren om te vertrekken en mij werd een gemengde groep van hoofdzakelijk onervaren, maar ook ervaren bemanningsleden toegewezen. Het vliegtuig waarmee we zouden vliegen, was een gloednieuwe B-17 F die dezelfde dag nog met de ferry naar de basis was gebracht. Hij was beschilderd in het gebruikelijke olijfgroen bovenaan de romp en de zijkanten en lichtblauw onderaan het toestel. Slechts een paar zilverkleurige modellen werden in die tijd gebruikt maar dit toestel was hier geen van. Het was werkelijk fonkelnieuw met de mitrailleurlopen nog ingepakt met de beschermende plakband.
Mijn bemanning voor die dag, met mijzelf als piloot, bestond uit :
Lt. Keit Byington - co-piloot met 12 missies
Capt. Robert Mc Neely - navigator met meer dan 20 missies
Sgt. George Mikel - bommenrichter, schutter, met verscheidene missies
Sgt. James Berry - schutter in de bovenkoepel - 1 missie
S/Sgt. Charles Sailer - radio-operator - 1 missie
Sgt. Harry Richards - buikkoepelschutter - 1 missie
Sgt. John Whitley - zijschutter - 1 missie
S/Sgt. Nathan Schwartz - zijschutter - 1 missie
Sgt. Kenneth Fahncke - staartkoepelschutter - 1 missie
Voor mij was het de 11de opdracht. Byington en Mc Neely kende ik natuurlijk heel goed omdat ze al bijna vanaf het begin bij de groep hoorden. Mikel kende ik maar oppervlakkig, maar de rest van de bemanning was me helemaal vreemd en we hadden elkaar voor het eerst ontmoet op diezelfde avond toen we een testvlucht maakten met het toestel, ter controle, voor de vuurdoop van de volgende dag.
We werden gewekt om half drie 's morgens. Het opstijgen was gepland om 6.00 u maar omwille van de weersomstandigheden zijn we pas kunnen opstijgen rond 11.00 u, na een uitstel van vijf uur, wat ons veel energie kostte. Toen het onze beurt was om op te stijgen, startten we de motoren op volle kracht en lieten de remmen los. Na een opstijgmaneuver dat wat langer duurde dan normaal klommen we de lucht in vlakbij het einde van de startbaan.
We waren maximaal geladen met brandstof, munitie en bommen. Het vliegtuig stuurde moeilijk en stroef en leek erg log. Het klom traag omhoog maar we geraakten op onze positie in de groepsformatie en vlogen richting Noordzee. We klommen richting Belgische kust, die we al vlug zagen toen we hoogte wonnen. Onze positie in de groep was : leider van de lagere sectie. Toen we boven de Belgische kust vlogen, vloog een eenzame spitfire voorbij langs onze linkerkant, richting Engeland. Het was het enige bevriende gevechtsvliegtuig dat we de ganse dag zouden zien.
Even later kregen we het aan de stok met de eerste vijandelijke gevechtspiloten in ME-109's in een frontale aanval, gebruik makend van 20 mm mitrailleurs en FW-190's, die van opzij kwamen en die raketten afvuurden, samen in een soort georganiseerde aanval waar we al eerder mee te maken kregen. Tijdens dit gevecht kregen we twee treffers in de motoren nrs 2 en 4, die begonnen te trillen en olie te verliezen. Er was ook ernstige schade aan de flappen door de ontploffingen van de raketten. Deze schade deed ons plots en onverwacht klimmen. De stuurcontrole werd door metaalfragmenten geraakt. Voorwaartse druk op de stuurkolom gaf geen resultaat maar we konden uiteindelijk de neus weer naar beneden krijgen en namen opnieuw onze positie in, in de formatie zonder de anderen te hinderen. Op dat ogenblik wisten we het nog niet, maar door de aanval was er iets mis met de mitrailleur van Sgt. Fahncke in de staartkoepel. Zijn arm was gekneusd en zijn vingers waren gekwetst door de granaatfragmenten die zijn koepel waren binnengevlogen. Hij was niet ernstig gewond, maar wel erg genoeg om het hem erg moeilijk te maken met het herstellen van zijn wapen. De aanvallen van de gevechtsvliegtuigen duurden nog even verder tot die stilaan ophielden, maar niet voordat ze een lager vliegend toestel hadden getroffen, waardoor het naar beneden stortte. Hierna vloog onze formatie verder naar het doelgebied zonder verdere tegenstand. Nadat we gedraaid waren boven het doel kregen we te maken met het gebruikelijke zware Flak luchtafweergeschut, terwijl wij onze bommen wierpen. Daarna maakten we een brede bocht, weg van het luchtafweergeschut en we begonnen aan de lange terugtocht naar huis. Er waren geen vijandelijke vliegtuigen meer te bespeuren toen we verder vlogen in noordwestelijke richting, geen luchtafweer, alles was rustig. Plots hoorden we een harde knal aan de buitenkant van het venster van de cockpit. We bemerkten een rond gat, gemaakt door een kogel van 50 mm. Onmiddellijk daalde de oliedrukmeter naar 0. Iets had ons geraakt en de brandstofleidingen beschadigd. We sloten de motor af en legden de propeller stil. Iets of iemand boven ons, misschien één van de schutters van onze eigen formatie, moest geschoten hebben en één van onze intacte motoren hebben geraakt. Hierdoor moesten we meer kracht sturen naar de drie andere motoren om zodoende onze positie in de formatie te kunnen behouden. Twee van de drie motoren draaiden met problemen nadat ze waren geraakt door de eerste aanval van de gevechtsvliegtuigen en ze verloren olie. We vlogen verder richting huiswaarts. Nu voelden we ons onzeker en keken uit naar de bescherming van onze jachtvliegtuigen die nog enkele minuten van ons rendez-vous-punt verwijderd waren. Even later zagen we enkele zwarte puntjes op de plaats waar we hen zouden ontmoeten en we voelden ons opgelucht Dit viel echter onmiddellijk tegen toen de aanvliegende toestellen hun identiteit toonden door op ons neer te duiken. 20 mm-geschut en spoortrekkende kogels vlogen door de lucht. Onmiddellijk begon onze formatie aan een ontwijkende strategie, klimmend en dalend en draaiend en met elke beweging raakten we verder van onze formatie verwijderd. De klare blauwe lucht werd een strijdperk voor de groep die huiswaarts moest en door de agressieve aanvallers vielen we steeds verder terug. Al de vliegtuigen van onze groep vlogen nu voor ons uit. Op dat ogenblik daalde de naald van motor nr. 1 snel naar het nulpunt. Onmiddellijk probeerden we dat op te vangen, we trokken de hendels naar omhoog en drukten op de controleknop van de propeller, maar er gebeurde niets. Met twee rechtermotoren op volle kracht hielden we de stuurkolom helemaal naar rechts om het overhellen naar links op te vangen.
De temperatuurmeter van de cilinderkoppen stond in het rood en onze armen deden pijn door de inspanningen om het toestel op koers te houden. Zweetdruppels stonden op ons voorhoofd onder onze zuurstofmaskers toen we met z'n tweeën worstelden om het toestel onder controle te houden. Propeller nr. 1 draaide wild en maakte een steeds scherper wordend geluid dat in onze trommelvliezen sneed en dat boven het gedreun van de rechtermotoren uitkwam. We bleven verder achterop geraken en werden één van de vele zwaar beschadigde toestellen, die eenzame stipjes vormden tussen de samengebalde formaties die de andere groepen vormden in de hemel. Sommige van deze toestellen met stationaire propellers en rookslierten waren een weerloze prooi voor de rondcirkelende jagers.
Toen de aanvallers ons vonden en ons genadeloos onder vuur namen, waren we verplicht om te duiken om nog eens te proberen hun aanvallen af te slaan, maar het beschadigde toestel reageerde te traag. Kogels troffen ons en explodeerden met harde knallen. De stemmen van de schutters langs de intercom klonken erg radeloos. Steeds opnieuw vielen de jagers aan. Telkens als ze een salvo afvuurden trilde en schudde het toestel onder de inslag van de kogels. Rook kwam uit motor nr. 4, het vermogen was uitgeschakeld, evenals de buikkoepel. Richards was niet gewond maar kon ons niet meer verdedigen. De jagers vlogen recht op ons af, hun mitrailleurs trokken witte strepen, net boven de vleugeltop. We duwden alle hendels vooruit en begonnen te duiken in een poging om uit de schietbaan weg te geraken, maar ze achtervolgden ons en kregen ons te pakken. Rook en stof vulden de cockpit toen ze ons onder vuur namen. Het leek nutteloos, ons geluk was op. We kropen uit onze duikvlucht en ik gaf het bevel het vliegtuig te verlaten. Het was hoog tijd om eruit te geraken. Ik bukte me en trok aan de hendel die het bommenluik opende. De hoogtemeter duidde 15.000 voet aan. Ik trok mijn zuurstofmasker af en schreeuwde naar Byington dat hij eruit moest.
Ik maakte mijn veiligheidsgordel los, klom uit mijn stoel, nam het valschermpakket van de haak en klikte dit vast aan mijn gordel. Ik keek nog even in het vliegtuig rond, het was leeg en verlaten. De bomluiken gaapten open voor me. Ik draaide me om en dook tussen de zetels in het neuscompartiment, liet de vluchthendel los en zag hoe die wegvloog. Mc Neely en Mikel kropen over de vloer met hun parachutes aan en keken vol verwachting naar mij. Plots begon het toestel te kraken. Nu gebeurt het dacht ik en ik wenkte Mikel naar de geopende luiken te komen. Ik duwde Mc Neely achter hem aan en sprong toen zelf naar buiten met mijn hoofd naar beneden.
Een klap van de wind sloeg me en ik maakte een salto. De kanonnen van de buikkoepel wezen recht naar beneden en flitsten juist boven me. Ik was weg van het toestel. Toen leek ik in de ruimte te hangen. Een sterke wind blies in mijn gezicht en er was een gedreun in mijn oren.
Mijn pak flapperde wild door de windkracht, maar het vallen gaf me geen sensatie. Ik begon rond te tollen omdat ik gevangen zat in een sterke windhoos. Terwijl ik rondtolde zag ik het toestel dat begonnen was aan zijn duik naar de aarde met een lange rooksliert en gevolgd door de jagers.
Om de duizelingwekkende buitelingen te stoppen, strekte ik één been uit en het rondtollen stopte. Ik viel met mijn gezicht neerwaarts naar de aarde. Ik strekte één arm uit, draaide en zag de hemel boven mij. Ik dacht eraan om het openen van mijn valscherm nog wat uit te stellen om zo de kans dat de Duitsers mij zouden vinden te verkleinen. Ik had er geen idee van hoe ver de grond verwijderd was, maar ik moest toch al een hele tijd aan het vallen zijn, dus besloot ik het valscherm te openen. Ik greep het touw, trok er hard aan en verwachtte onmiddellijk resultaat maar er gebeurde niets. Ik keek naar beneden naar het pak en zag een dunne sliert witte zijde langzaam uit het geopende pak komen, zoals een cobraslang uit het mandje van de slangenbezweerder.
Dan, een verdovende klap in mijn gezicht en een mokerslag op mijn ribben, die de lucht uit mijn borstkas perste als in een wurgende greep. Zo krachtig was het openen van het valscherm dat ik dacht weer omhoog getrokken te worden.
Toen ik genoeg was bijgekomen keek ik omhoog en zag het witte doek boven me. Ik voelde de greep van de gordels en de banden rond mijn benen
Het had gewerkt. Hoog boven me zweefden andere valschermen. Ik keek rond en zag een open landschap.
Ik herinnerde me enkele gegevens en opdrachten die in mijn overall zaten, scheurde die aan stukken en strooide de snippers in de lucht.
Toen ik weer naar beneden keek zag ik een parachute landen op de bodem.
Een boomgaard verscheen in het landschap, een weg, een man op een fiets, een boerderij, dan een veld. De grond kwam snel dichterbij. Ik trok hard aan de koorden en boog mijn knieën. WHAM ! Ik raakte de grond en maakte een buiteling. Een scherpe pijn schoot door mijn linker enkel. Even was ik verdoofd en lag plat op mijn buik op de grond. De parachute viel in vouwen naast me neer. Ik bleef zonder te bewegen liggen. In een paar minuutjes raapte ik mijn verstand bij elkaar. Ik was neergekomen in een suikerbietenveld en de groene topjes rond me leken me aan te kijken. Ik keerde me om, maakte de gordels los, trok het pak van mijn rug en kwam recht, gesteund op een elleboog. Een man in ruwe werkkleren kwam op me af en stopte toen hij mij zag bewegen. Ik keek hem aan. Hij stak zijn hand omhoog om duidelijk te maken dat hij geen kwaad wou doen, dus stak ik ook mijn hand in de lucht. Toen kwamen meer mannen in het zicht en voegden zich bij hem, in een halve cirkel rond me en ze keken me aan zonder één woord te zeggen. Uiteindelijk ging ik rechtop zitten en wees naar mijn enkel om duidelijk te maken dat die gekwetst was, maar ze deden teken dat ze me niet verstonden. Toen, nog niet zeker waar ik was neergekomen probeerde ik een paar woordjes Frans, de enige vreemde taal waar ik een beetje van kende
en vroeg hen of dit Duitsland was. Dit verstonden ze wel en ze schudden hun hoofd. Een van hen zei "Belgique". Ik was in België, niet in Duitsland, dat gaf mij hoop. Ik worstelde om recht te komen en onmiddellijk hielpen de mannen me. Anderen kwamen te voorschijn en al vlug waren er een dozijn of nog meer mannen, vrouwen en kinderen die rond me stonden, in het midden van het veld, me nieuwsgierig aankijkend. Gebruikmakend van mijn weinige kennis van de Franse taal vertelde ik hen dat ik een Amerikaanse piloot was. Dit brak onmiddellijk het ijs want ze leken allemaal opgelucht en ze knikten goedkeurend. Hun hoofden kwamen dichterbij, glimlachend. Ze pakten mijn hand beet en zeiden : "Bonjour", "Courage" en "Bonne chance". De hele tijd stond ik op één been en leunde tegen een van hen aan, ongeduldig om zo snel mogelijk uit het zicht te komen en mij te verbergen. Terwijl ik hieraan dacht vlogen er drie ME-110's over onze hoofden en ik wist dat het tijd was om te maken dat ik wegkwam. Wat daarna gebeurde is een verhaal apart. Ik was neergekomen in het kleine dorpje Sint-Huibrechts-Hern, ongeveer 30 km ten noordwesten van Luik.
Armand Hansen was één van die omstaanders. Hij getuigt:
Ik heb de piloot alleen gedragen, 3 km ver. Ik zag hem vallen van hieruit mijn huis. Ik ben toen het veld ingelopen en we hebben hem over de draad geholpen. Ik heb hem toen op mijn rug genomen. Ik ben Hernbaan overgestoken, waar nu die van Slechten gebouwd heeft en zo heb ik hem het bos ingedragen, de tram over zo hoog mogelijk op. Toen na vijf minuten kwam daar Madammeke de Schaetzen aan. Ook Gust Breban kwam aan. Hij joeg mij de schrik op het lijf toen hij zei : "Wat hebt ge nu gedaan ? en doe maar rap die jas uit". Toen Madammeke daar aan kwam ben ik gauw weggegaan want ik betrouwde het niet meer. Hij was toen in goede handen. Ik heb daarna daar niks meer van gehoord.
De rest van de 10-koppige bemanning sprong ook uit het brandend toestel en ze landden allen ongedeerd in de omgeving .
Toen Sargent in het bos aankwam ontmoette hij daar Mc Neely op het bospad met een andere Belg.
Geneviève de Schaetzen verzorgde de gekwetste Sargent zo goed het kon, doch men moest een beroep doen op dokter Duchateau van Hoeselt. Hoewel Vlaamsgezind en dus per definitie verdacht in die tijd en hoewel hij goed wist wie hij verzorgd had, heeft hij er nooit over gepraat.
Harie haalde diezelfde avond Byington op in het kasteel van Vliermaal en bracht ook hem naar Hardelingen.
Zijn toenmalige verloofde en latere vrouw Maria Willems getuigt hierover :
"Het was een mooie zomeravond, rond 23.00 uur. Veel mensen van de straat zaten nog buiten te buurten en te babbelen. Het was nog erg warm. Plots kwamen er uit de richting van Vliermaal twee fietsers zonder licht aangereden. Ze reden ons voorbij zonder iets te zeggen. Toen ze voorbij waren zei iemand : "De eerste dat was Harie van Peike, de andere die ken ik niet". Achteraf bleek dat die piloot te zijn die Harie in het kasteel van het Hoogveld had opgehaald. Hij vertelde mij later dat hij die naar Hardelingen gebracht had bij de twee anderen.
Harie had enige moeite om de heer van het kasteel van Vliermaal te overtuigen om toe te geven dat de piloot bij hem verstopt was en om hem aan hem mee te geven. Op een of andere manier heeft hij hem kunnen aantonen dat hij de twee anderen reeds onder zijn hoede had".
Uiteindelijk verbleven de drie Amerikanen een drietal dagen in Hardelingen. Om bepaalde redenen verhuisden ze de tweede dag naar het bos van de Borman van Schalkhoven. (Dit bos is nu eigendom van Jacky Comhair, een man die een dikke boon heeft voor Amerikaanse veteranen. Hij heeft op de plek waar ze verstopt waren een monument opgericht als herinnering aan hun verblijf.)
De familie Breban bracht driemaal per dag voedsel naar de vliegers.
Buckinx Egidius herinnert zich het volgende :
Ik was in het veld achter de pastorij van Hern aan het bieten schoonmaken toen de vlieger overkwam. De brokken vlogen in het rond. Overal lagen dozen met kogels op het land. Veel weet ik er niet meer van. De eerste twee of drie dagen hebben de piloten in het bos van de Schaetzen gezeten. Ze zaten op de Hoemeskop in een soort hut van hanekam en takken tegen een boom. Daarna zijn ze naar de Hoemberg gegaan. Wij gingen ze eten dragen en dan deden wij alsof we konijneneten aan het steken waren en dat gooiden we bovenop de mand met eten.
De piloten zijn nooit thuis binnen geweest. Wij gingen ze wel driemaal per dag eten geven en dan gooiden wij de mand vol met konijneneten.
Breban Maria :
Ik weet er niet veel meer van. Wij gingen driemaal per dag eten geven in de Hoemberg. Dan gingen wij dwars door het veld en deden wij alsof wij konijnenvoer staken. Wij gooiden dan wat groen bovenop de mand. Ik herinner mij niet dat ze thuis binnen zijn geweest. Ze hebben eerst in "de dennekens" gezeten, de Ganzendries, daar was toen een klein dennenbos.
Over hun verblijf in het bos vertelt Capt. Roland Sargent het volgende :
Noch ikzelf, noch de andere leden van mijn crew zullen ooit de moed en de durf van die dappere jongeman, die uw nonkel Henri was, vergeten. Hoewel ik uw tante, Maria Willems nooit ontmoette, bezorgde zij ons voedsel onder de vorm van lekkere wafels. Zowel ik als Robert Mc Neely (die ongeveer 160 km ten oosten van mijn huis in Asheville woont) hebben copies van de foto's van ons gedrieën in het bos en ook een foto van uw nonkel in uniform van de Weerstand. Er zit een verband om mijn linker enkel. Dit verband werd aangebracht door Geneviève de Schaetzen. Zij was één van de eersten om mij te begroeten in het veld waar ik neerkwam. Zij was ook een heel dappere en vriendelijke persoon. Zij en uw nonkel Henri brachten heel wat tijd bij ons door en we converseerden in het Frans. Ik was de enige die wat Frans verstond en dus was ik de tolk voor de twee anderen. De mensen die rond mij stonden toen ik neerkwam waren bang voor verklikkers en ze hielpen mij naar het bos een klein end verder, waar ik Mc Neely ontmoette die daar aankwam in gezelschap van een Belg. We werden verder het bos ingeleid en verstopt voor de Duitsers die ons zouden zoeken. Later kregen we voedsel en dekens en werd ons verteld dat Byington omstreeks middernacht bij ons zou gebracht worden. In het midden van de nacht hoorden we een scherp gefluit en even later doemden twee gestalten uit de duisternis op en kwamen naar ons toe. De man die met Byington was kende ik niet maar ik zal nooit vergeten hoe hij mij op mijn rug droeg omdat ik niet kon lopen op mijn gezwollen enkel. Hij was een zeer sterke man en hij droeg mij over een hele afstand door het bos met Mc Neely en Byington achter ons aan, naar de hut waar wij de rest van de nacht verbleven. De volgende dag bleven wij in de omgeving, doch niet in de hut. Opnieuw kwamen Henri en Geneviève en brachten ons meer voedsel en spraken ons moed in.
Ik denk dat het de derde avond was dat ons verteld werd dat de Duitsers in het dorp op zoek naar ons waren en dat we niet in de hut konden blijven. We sliepen onder de blote hemel tussen het struikgewas. De derde dag, omdat we naar een andere locatie zouden gebracht worden werd een man naar ons gebracht (het zou de vader van Henri kunnen geweest zijn), die ons kwam scheren met een scheermes en zonder water. Later in de voormiddag kwam een welgeklede heer die uitstekend Engels sprak naar ons en trachtte ons te overtuigen om onze militaire uitrusting terug te bekomen van de mensen aan wie wij ze gaven en om onszelf over te geven aan de Duitsers. Hij zei dat er geen enkele kans was om terug in Engeland te geraken. Hij zei dat we als spionnen zouden doodgeschoten worden als ze ons in burgerkledij zouden snappen. Wij wisten het toen niet, maar het was de vader van Geneviève, de eigenaar van het kasteel en het bos waar wij verborgen zaten. We dankten hem voor zijn bezorgdheid maar we vertelden hem dat we vastbesloten waren onszelf een kans te geven.
Die namiddag reed een oude versleten vrachtwagen het bos in en na afscheid genomen te hebben van onze vrienden, die zoveel risico's hadden gelopen om ons te helpen, klommen we erop, ikzelf voorin en Byington en Mc Neely achter op de open laadbak bovenop een hoop gele zand. We reden ongeveer 30 km over binnenwegen, door verschillende kleine dorpjes tot in de buurt van Waremme en stopten aan de overkant van een huis.
(uit : brief van Sargent aan P. Snellings)
In een andere brief schrijft Sargent :
Details vervagen na een tijd maar de hoofdzaken blijven je klaar voor de geest staan. Ik herinner mij hoe vriendelijk Henri was en hoe hij altijd een glimlach had. Hij pepte ons op voor de moeilijke dagen die we tegemoet gingen. Hoewel mijn kennis van de Franse taal beperkt was herinner ik mij hoe hij in lovende termen over zijn Maria sprak en hij vertelde me over hun trouwplannen.
Ik herinner me ook de knappe jongedame, Geneviève de Schaetzen. Zij en een andere man hielpen mij uit het veld waar ik geland was, naar het bos. Wij haastten ons zo snel als we konden (mijn gekwetste enkel maakte dat moeilijk) door de struiken en de doornen. Haar benen en enkels zaten vol bloed en schrammen toen we het bos bereikten. Er was ook een oudere dame bij de groep rond mij in het veld. Zij leek zeer gerespecteerd te worden door de anderen en iedereen luisterde als zij sprak. Nadat ik het veld verlaten had, heb ik haar niet meer terug gezien. Ik zal mij Henri altijd blijven herinneren en een ingekaderde en vergrootte foto van hem in zijn uniform van de weerstand hangt in mijn living aan de muur.
(uit : brief van Sargent aan P. Snellings)
Het staat vast dat Henri de eerste etappe van de ontsnappingsroute georganiseerd heeft. Hij was lid van of alleszins nauw verbonden met de verzetsgroep van Borgloon en Heers. Via een zekere Brusselmans, die in Tongeren in de Schuttersgang woonde en gehuwd was met een Engelse, werd het vervoer met de vrachtwagen georganiseerd. Deze vrachtwagen was eigendom van de Firma De Coune van Waremme.
Het zou ons in het kader van deze beknopte familiegeschiedenis te ver voeren om uitgebreid in te gaan op de verdere afwikkeling van het ontsnappingsavontuur. Het verder verloop zou alleszins een geknipt scenario voor een spannende thriller kunnen zijn.
De drie genoten uiteindelijk slechts 10 dagen van hun vrijheid en werden in Parijs door de Gestapo gevangen genomen en als spionnen opgesloten in de beruchte gevangenis van Fresnes. Na tussenkomst van het Rode Kruis en de Luftwaffe werden ze als krijgsgevangenen naar Duitsland afgevoerd.
De auteur, Roger Anthoine beschrijft in zijn boek “Forteresses sur l’Europe” het hele verhaal. Zijn boek is in verscheidene afleveringen verschenen in de krant “Le Soir”. De aflevering van 21 augustus 1973 vertelt het hele gebeuren. In deze aflevering wordt Henri Snellings uitvoerig geprezen voor zijn moedig optreden. Na de oorlog werd hem een door Generaal Eisenhower ondertekende oorkonde overgemaakt als dank en erkenning. Ook vanwege de Britse legerleiding werd hem zulke oorkonde overgemaakt.
Tevens werd hij vermeld op de dagorder van het Geheim Leger. Henri is steeds discreet gebleven over zijn activiteiten tijdens de oorlog. Daarom zijn we blij dat we deze gelegenheid kunnen te baat nemen om zijn moedig optreden te belichten. Jammer dat we hem voor zijn overlijden niet meer over deze gebeurtenissen ondervraagd hebben.
In mei 1995 hadden we het genoegen Mc Neely in Werm te ontvangen. Hij bezocht de plek in Hardelingen waar hij enkele dagen verscholen zat en ontmoette een aantal mensen die hem destijds geholpen hadden (Buckinx E., Breban Germaine, de echtgenote en de kinderen van Henri Snellings,...)
In juli 1997 reisden we naar de U.S.A en ontmoetten daar Mc Neely en ook Roland Sargent. Het werd een onvergetelijk bezoek.
8. PETER SNELLINGS : DE ZAGERIJ
15 februari 1920 - 30 september 1962
Peter was een ondernemend man. Samen met zijn broer Arnold, Gerard Buckinx, Christiaan Vanvinckenroye en Richard Willems startte hij op 15 februari 1920, met een heuse stoomzagerij. Aanvankelijk zag men de zaken vrij groots. In de standregelen van de maatschappij wordt een vijfvoudig doel vooropgesteld. De inhoud van de standregelen, eigenlijk een oprichtingsakte, is erg interessant. Daarom volgt hier de integrale tekst :
Peter Snellings en zijn vrouw Maria Nijs
BIJLAGEN
1.STAMBOOM VAN DE FAMILIE SNELLINGS
2.HUUROVEREENKOMST VAN 1929 BETREFFENDE DE HUUR VAN HET TERREIN WAAROP DE ZAGERIJ GEVESTIGD WAS.
3.OORKONDE VAN DE AIR CHIEF MARSHAL VAN HET BRITSE LEGER VOOR HENRI SNELLINGS.
4.VERMELDING VAN HENRI SNELLINGS OP DE DAGORDE VAN HET GEHEIM LEGER.
5.OORKONDE VAN DE PRESIDENT VAN AMERIKA, GETEKENDE DOOR GENERAAL EISENHOWER, VOOR HENRI SNELLINGS
Bijlage 1
Bijlage 2
Bijlage 3
Bijlage 4
Bijlage 5